Appellante, een alleenstaande ouder met bijstand, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten na haar verhuizing op grond van een medische urgentie. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden en appellante had kunnen reserveren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellante voerde aan dat zij vanwege de extra kosten door haar autistische zoon niet had kunnen reserveren en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar financiële situatie.
De Raad oordeelde dat de reserveringsperiode van 21 maanden voldoende was om de kosten te dekken. De door appellante genoemde uitgaven waren niet aannemelijk noodzakelijk en zij had bewust keuzes gemaakt die haar reserveringsmogelijkheden beperkten. De medische urgentie en de zorg voor haar zoon maakten niet dat de kosten voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden waardoor bijzondere bijstand gerechtvaardigd was.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.