ECLI:NL:CRVB:2022:519

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2022
Publicatiedatum
11 maart 2022
Zaaknummer
19/2143 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 31 PWArt. 34 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens voldoende reserveringsperiode

Appellante, een alleenstaande ouder met bijstand, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten na haar verhuizing op grond van een medische urgentie. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden en appellante had kunnen reserveren.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellante voerde aan dat zij vanwege de extra kosten door haar autistische zoon niet had kunnen reserveren en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar financiële situatie.

De Raad oordeelde dat de reserveringsperiode van 21 maanden voldoende was om de kosten te dekken. De door appellante genoemde uitgaven waren niet aannemelijk noodzakelijk en zij had bewust keuzes gemaakt die haar reserveringsmogelijkheden beperkten. De medische urgentie en de zorg voor haar zoon maakten niet dat de kosten voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden waardoor bijzondere bijstand gerechtvaardigd was.

Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten.

Uitspraak

19.2143 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
1 april 2019, 18/4011 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [naam gemeente] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 8 maart 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021. Namens appellante is [naam] verschenen. Het college heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.
Namens appellante heeft [naam] ter zitting een verzoek om wraking van de behandelend rechter ingediend. Hierop is de behandeling ter zitting is geschorst.
Bij beslissing van 23 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:947, heeft de wrakingskamer van de Raad het verzoek om wraking afgewezen. Deze uitspraak is vervallen verklaard bij beslissing van 20 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2360. Bij beslissing van 15 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2920, heeft de wrakingskamer het verzoek om wraking opnieuw afgewezen.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 25 januari 2022. Namens appellante is [naam] verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt geruime tijd bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Zij ontving eerst bijstand in de gemeente Houten en sinds juli 2018 in de gemeente Utrecht . Appellante heeft, toen zij nog in de gemeente Houten woonde, op 27 september 2016 een aanvraag voor een urgentieverklaring voor een woning ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van Houten heeft appellante bij besluit van 5 januari 2017 de gevraagde urgentieverklaring toegekend op de grond dat zij een medisch onhoudbare woonsituatie had. Appellante is verhuisd naar een woning in [naam gemeente] , die zij met ingang van 11 juni 2018 is gaan huren.
1.2.
Appellante heeft op 26 juni 2018 bij het college bijzondere bijstand op grond van de PW aangevraagd voor verhuis- en inrichtingskosten. Zij heeft bijzondere bijstand aangevraagd tot een bedrag van in totaal € 1.965,- voor de kosten van verf, behang en laminaat voor de hele woning (€ 700,-), voor dubbele huur (€ 640,-) en voor de kosten van de inrichting van de kamer van haar zoon (Y) (€ 625,-). Appellante heeft als toelichting vermeld dat Y tot de verhuizing naar [naam gemeente] geen eigen kamer had en altijd bij appellante in bed sliep en om die reden nu een eigen bed, kast en gordijnen voor zijn kamer nodig heeft.
1.3.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 27 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 september 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven en voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Appellante heeft namelijk voor deze kosten kunnen en ook moeten reserveren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, zoals ter zitting nader toegelicht, de volgende gronden aangevoerd. De kosten van verhuizing en woninginrichting vloeien voort uit bijzondere omstandigheden. Appellante heeft voor deze kosten namelijk onmogelijk kunnen reserveren doordat zij door haar autistische zoon geconfronteerd werd met extra kosten. Dit blijkt uit de door haar in hoger beroep overgelegde gegevens van betalingen die zij heeft gedaan. Het college heeft, net als in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 29 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9785, verzuimd zorgvuldig onderzoek te doen naar de reserveringsruimte van appellante. Van betekenis hierbij is dat appellante een autistisch kind heeft met ernstige medische klachten en is verhuisd op grond van een medische urgentie. Dit blijkt uit het in hoger beroep ingebrachte besluit van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) van 27 juli 2021. Daarin staat dat Y per 22 juli 2021 recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 35 van Pro de PW bestaat recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3.
De kosten van verhuizing en woninginrichting zijn incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten in het individuele geval een objectieve noodzaak bestaat kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Of iemand voor de kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.4.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is eerder overwogen in de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059. Appellante is niet in deze bewijslast geslaagd. In het bijzonder is appellante er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij niet heeft kunnen reserveren voor verhuis- en inrichtingskosten. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.1.
Vanaf de aanvraag om een urgentieverklaring op 27 september 2016 was het voor appellante voorzienbaar dat zij op enig moment zou gaan verhuizen. Appellante heeft vanaf dat moment tot aan 1 juli 2018, toen zij feitelijk is verhuisd naar een woning in [naam gemeente] , kunnen reserveren voor de kosten van verhuizing en woninginrichting (reserveringsperiode). Deze periode van 21 maanden, in relatie tot de omvang van de kosten, is daarvoor in dit geval op zichzelf lang genoeg.
4.4.2.
Ter zitting van 25 januari 2022 heeft appellante betoogd dat de volgende, volgens haar noodzakelijke, betalingen in de weg stonden aan het reserveren voor verhuis- en inrichtingskosten:
- € 120,- voor een fietskar in maart 2016;
- € 100,- voor een laptop in februari 2017;
- € 249,- voor een mobiele telefoon in februari 2018;
- € 49,99 voor een zogenoemd ‘taalbureau’ in november 2017;
- € 49,99 voor een houten schommel, aanschafdatum onbekend en
- € 87,10 voor de urgentieaanvraag in september 2016.
Dit betoog treft geen doel. Appellante heeft hiermee namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar onmogelijk was om gedurende de reserveringsperiode enig bedrag te reserveren voor verhuis- en inrichtingskosten. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat uit de door appellante overgelegde gegevens over transacties op haar bankrekening blijkt dat zij in die periode maandelijks ongeveer € 40,- heeft betaald aan een sportschool. Verder heeft appellante wel gesteld dat de hiervoor genoemde uitgaven noodzakelijk waren, maar dit
– afgezien van de kosten van de in september 2016 aangevraagde urgentieverklaring – niet aannemelijk gemaakt. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat appellante in de reserveringsperiode ervoor heeft gekozen om bepaalde uitgaven te doen die van invloed waren op de mogelijkheid om voor de voorzienbare verhuis- en inrichtingskosten te reserveren. De gevolgen van deze eigen keuze van appellante kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand.
4.4.3.
Alleen al omdat, zoals in 4.4.1 is overwogen, in dit geval de reserveringsperiode op zichzelf lang genoeg was om te reserveren voor de door appellante opgevoerde kosten van verhuizing en woninginrichting, en appellante, zoals in 4.4.2 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door in aanmerking te nemen uitgaven niet kon reserveren, is haar geval niet vergelijkbaar met dat van de uitspraak van 29 juni 2010. Het college hoefde, anders dan appellante heeft betoogd, in dit geval in de door appellante geschetste omstandigheden geen aanleiding te zien om (nader) onderzoek te doen naar haar reserveringsruimte.
4.4.4.
Dat appellante een autistisch kind heeft dat medische klachten heeft en dat zij is verhuisd op grond van een medische urgentie, is niet in geschil. Maar dit maakt niet dat de verhuis- en inrichtingskosten voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden, in die zin dat zij voor die kosten niet heeft kunnen reserveren.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.E. Mink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2022.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J.E. Mink