Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om zijn AIO-aanvulling te beëindigen vanwege een te hoog vermogen in het buitenland. Na afwijzing van het bezwaar en het beroep bij de rechtbank, stelde verzoeker hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de zitting bereikten partijen een schikking over het geschil, waarna verzoeker het hoger beroep introk, behoudens het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad beoordeelde dat de totale procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift tot intrekking van het hoger beroep ruim vier jaar en bijna zeven maanden had geduurd, wat de redelijke termijn overschreed.
De overschrijding vond plaats in de rechterlijke fase en er waren geen omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigden. Daarom werd aan verzoeker een schadevergoeding van €1.000 toegekend, te betalen door de Staat. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van €379,50.