ECLI:NL:CRVB:2022:58
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als hulp in de huishouding, meldde zich ziek na een scooterongeval met nek- en schouderklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat er geen sprake was van Geen Benutbare Mogelijkheden (GBM) en de medische beoordeling juist was.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij een disfunctie van de hypothalamus had en dat haar beperkingen onderschat waren. De Raad concludeerde dat uit de medische stukken geen diagnose van een hypothalamusdisfunctie bleek en dat de verzekeringsarts de beperkingen juist had vastgesteld in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De klachten van appellante waren meegenomen in de beoordeling.
De Raad benadrukte dat niet de precieze diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen bepalend zijn voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Op basis van de FML en de geselecteerde voorbeeldfuncties was de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35%, waardoor de weigering van de WIA-uitkering terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.