ECLI:NL:CRVB:2022:583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mate arbeidsongeschiktheid WIA op 42,52% na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant was laatstelijk werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met ingang van 25 december 2018 voor 42,52% arbeidsongeschikt is en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege zijn taalachterstand en fysieke beperkingen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies medisch en arbeidskundig passend waren. De rechtbank volgde de rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en verwierp de stellingen van appellant over de geschiktheid van de functies en zijn taalvaardigheid.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelt vast dat de medische beoordeling zorgvuldig en volledig was, dat de beperkingen adequaat zijn meegenomen en dat er geen nieuwe medische informatie is die aanleiding geeft tot twijfel. Ook de arbeidskundige beoordeling is voldoende gemotiveerd, waarbij rekening is gehouden met de fysieke belastbaarheid en het opleidingsniveau van appellant. De Raad concludeert dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld en dat de geselecteerde functies geschikt zijn.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige en ook geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant voor 42,52% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.