ECLI:NL:CRVB:2022:595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als plaatwerker, ontving sinds 2007 een WGA-uitkering vanwege psychische klachten en arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen stelde het UWV vast dat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de WGA-vervolguitkering per 30 september 2019 werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en bracht medische stukken in, waaronder rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige. De rechtbank oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. De rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen werden onderschat, onder meer vanwege een antisociale persoonlijkheidsstoornis en rugklachten. De Raad concludeerde dat de GZ-psycholoog van De Waag geen tegenstrijdig oordeel gaf en dat de beperkingen passend waren opgenomen. De brief van de fysiotherapeut was niet relevant voor de beoordelingsdatum.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het UWV de WGA-vervolguitkering terecht heeft beëindigd. Een verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.