ECLI:NL:CRVB:2022:65
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering terecht wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante was werkzaam als helpende en meldde zich ziek op 12 maart 2018. Het UWV kende haar ziekengeld toe op basis van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom haar ziekengeld per 7 maart 2019.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen te licht waren vastgesteld, met name vanwege hand- en polsklachten en slaapproblemen. Ook stelde zij dat er onterecht geen overleg was geweest tussen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige over de geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel. De Raad vond dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige gronden had om de verdiencapaciteit vast te stellen en dat de FML rekening hield met de slaapproblemen. Het ontbreken van structureel overleg tussen arts en arbeidsdeskundige was niet onrechtmatig.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.