ECLI:NL:CRVB:2022:654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 53,75%
Appellant was werkzaam als werktuigkundige en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 53,75% op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek. Appellant voerde bezwaar aan tegen het besluit, met name over de afwezigheid van een urenbeperking ondanks klachten van pijn en vermoeidheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en motiveerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De medische expertise van appellant, gebaseerd op eerdere consulten, gaf volgens de rechtbank geen reden tot twijfel aan de UWV-inschatting.
In hoger beroep betoogde appellant dat er wel degelijk een medische noodzaak voor een urenbeperking was, onderbouwd met een rapport van een medisch adviseur. De Raad oordeelde echter dat dit standpunt onvoldoende steun vond in de medische gegevens en dat de verzekeringsarts van het UWV de beperkingen op een navolgbare wijze had vastgesteld.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was voor het benoemen van een deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV-besluit bleef gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 53,75% zonder urenbeperking.