Eiser, werkzaam als werktuigkundige, heeft vanwege rugklachten een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 53,75% per 11 november 2019. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat zijn beperkingen onvoldoende zijn meegewogen, met name vanwege ernstige rugklachten en vermoeidheid.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van het UWV als zorgvuldig en vond dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met de klachten van eiser. De primaire verzekeringsarts had eiser kort voor de datum in geding onderzocht en diens inschatting van beperkingen werd als actueel en betrouwbaar beschouwd. De aanvullende medische rapportage van een andere verzekeringsarts leidde niet tot een andere conclusie.
Verder oordeelde de rechtbank dat de door het UWV geselecteerde functies passend waren voor eiser, ook rekening houdend met de beperkingen. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies en de vastgestelde belastbaarheid werd niet betwist. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het griffierecht werd niet aan eiser vergoed.