Appellante, voormalig floormanager, diende een WIA-aanvraag in na ziekmelding met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar kende later een gedeeltelijke WIA-uitkering toe met een urenbeperking vanwege behandelingen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische en fysieke beperkingen ernstiger waren en dat de ingangsdatum van de uitkering eerder moest worden vastgesteld.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die het medisch beeld bevestigde, met uitzondering van een extra beperking op het punt van het uiten van eigen gevoelens, welke de Raad niet volgde. De Raad oordeelde dat de beperkingen en urenbeperking adequaat waren vastgesteld en dat de functies geschikt waren.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €2.500,- aan appellante en een proceskostenvergoeding van €379,50. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.