ECLI:NL:CRVB:2017:4354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster en viel in december 2009 uit wegens gezondheidsproblemen, waarbij psychische klachten op de voorgrond kwamen. Het UWV stelde in 2013 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en het UWV herzag het besluit, maar handhaafde de beëindiging van de uitkering.
De rechtbank oordeelde dat er bijzondere omstandigheden waren om af te wijken van het oordeel van de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige, omdat diens rapport onvoldoende gemotiveerd was voor bepaalde beperkingen. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en achtte de geselecteerde functies medisch geschikt.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte van het deskundigenoordeel was afgeweken. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat de rechtbank voldoende inzichtelijk had gemotiveerd waarom zij bepaalde beperkingen niet volgde. De Raad vond de geselecteerde functies passend en het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35%, waardoor de beëindiging van de uitkering terecht is.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.