ECLI:NL:CRVB:2022:710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellant was voorman schoonmaak en ontving sinds september 2016 ziekengeld wegens rug- en nekklachten. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering per november 2017. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een onafhankelijke deskundige werd benoemd die de beperkingen vastlegde in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De deskundige achtte een urenbeperking, anders dan het niet kunnen werken ’s avonds en ’s nachts, niet noodzakelijk. De rechtbank volgde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat er wel een urenbeperking moest gelden, onderbouwd met diverse medische rapporten.
De Raad overwoog dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige overtuigend en zorgvuldig was gemotiveerd en dat de medische stukken van appellant onvoldoende aanknopingspunten boden voor een andere beoordeling. Het UWV had bovendien voldoende gemotiveerd dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellant.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.