ECLI:NL:CRVB:2022:720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening Ziektewetbesluiten en afwijzing WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd
Appellante was werkzaam als inpakster in WSW-verband en meldde zich op 6 januari 2014 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe vanaf 2 juni 2014, maar beëindigde deze per 6 februari 2015 omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Appellante meldde zich opnieuw ziek per 9 februari 2015, maar het UWV weigerde een nieuwe ZW-uitkering toe te kennen.
Appellante verzocht in 2018 om herziening van de besluiten en om een met terugwerkende kracht toe te kennen ZW-uitkering per 5 mei 2015, mede vanwege rug- en armklachten en cognitieve problematiek die later was vastgesteld. Tevens vroeg zij een WIA-uitkering aan per 4 januari 2016. Het UWV wees deze verzoeken af wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en omdat de wachttijd voor de WIA-uitkering niet was volgemaakt.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken bevestigd. De Raad oordeelde dat de armklachten en cognitieve beperkingen niet als nieuw gebleken feiten konden worden beschouwd, dat de ziekmelding met terugwerkende kracht te laat was en dat de wachttijd voor de WIA-uitkering niet was voldaan. Verzoeken om proceskostenvergoeding en aanhouding van de behandeling werden afgewezen. De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft gehandeld en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de Ziektewetbesluiten te herzien en wijst het verzoek om een WIA-uitkering af wegens het niet volgmaken van de wachttijd.