ECLI:NL:CRVB:2022:733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening pgb wegens niet-naleving pgb-verplichtingen 2019
Verzoekster, geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), ontving voor 2019 een persoonsgebonden budget (pgb) dat zij gebruikte voor zorginkoop. Het zorgkantoor wijzigde het pgb voor 2019 en trok het pgb voor 2020 in vanwege onregelmatigheden en het niet naleven van pgb-verplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was tot deze wijziging en dat het besluit redelijk was. Verzoekster ging in hoger beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening omdat zij in 2022 een pgb nodig heeft en vreest dat een aanvraag zal worden afgewezen vanwege de vermeende schending in 2019.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake is van een kennelijk onrechtmatig besluit en dat het zorgkantoor uitvoerig onderzoek heeft gedaan waaruit onregelmatigheden van aanzienlijke aard blijken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het antwoord op het recht op een pgb in 2022 buiten het geschil ligt en verzoekster zorg in natura kan ontvangen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 28 februari 2022.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen sprake is van een kennelijk onrechtmatig besluit en zorg in natura mogelijk is.