ECLI:NL:CRVB:2022:745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige beoordeling beperkingen
Appellante was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met mondproblemen, gevolgd door rug- en spanningsklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 1 maart 2020 omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Dit besluit werd ondersteund door medische en arbeidskundige rapporten waarin werd vastgesteld dat appellante ondanks haar beperkingen geschikt was voor andere functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de beperkingen juist had vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn door haar klachten en betwistte de geschiktheid van de geselecteerde functies, mede vanwege taalbeheersing.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. Er was geen nieuwe medische informatie die aanleiding gaf tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De functies waarvoor appellante geschikt werd geacht, verschilden wezenlijk van haar eigen werk en stelden geen hoge eisen aan taalvaardigheid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.