ECLI:NL:CRVB:2022:752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beperking huishoudelijke hulp op grond van Wmo 2015 na medisch advies
Appellante, geboren in 1964, heeft beperkingen die haar belemmeren bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Het college heeft haar op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden verstrekt, aanvankelijk zes uur per week, later verlaagd naar vier uur per week. Deze verlaging was mede gebaseerd op het feit dat haar oudste zoon gebruikelijke hulp verleende, maar deze woont inmiddels niet meer thuis.
Bij het bestreden besluit van 4 juli 2019 is de maatwerkvoorziening vastgesteld op vier uur per week, waarbij een medisch advies van 6 februari 2020 ten grondslag lag. Dit advies concludeerde dat appellante in staat is om lichte huishoudelijke taken en de was zelf te doen, maar hulp nodig heeft bij zwaar huishoudelijk werk.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de situatie bij het eerdere zes uur hulp anders was dan bij het bestreden besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch advies tekortschiet en dat de grondslag voor de verlaging is vervallen, maar bracht geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, ziet geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit en bevestigt de beperking van de huishoudelijke hulp tot vier uur per week. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden te beperken tot vier uur per week.