ECLI:NL:CRVB:2022:76
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand wegens vermogen stichting waar appellante bestuurder was
Appellante vroeg op 12 januari 2016 bijzondere bijstand aan voor kosten van rechtsbijstand en griffierecht. Ten tijde van de aanvraag was zij enig bestuurder van een stichting die een passagiersschip exploiteerde. Het college wees de aanvraag af omdat het vermogen van de stichting werd aangemerkt als vermogen waarover appellante redelijkerwijs kon beschikken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij geen beschikking had over het vermogen van de stichting, omdat zij niet langer bestuurder was en de stichting de kosten niet kon betalen zonder haar doelstelling te schenden. Het college erkende later dat het schip eigendom was van de stichting en stelde het vermogen van appellante negatief vast.
De Raad oordeelde dat voor de beoordeling van bijzondere bijstand de situatie op het moment van de aanvraag bepalend is. Omdat appellante toen enig bestuurder was en zelfstandig bevoegd was over het vermogen van de stichting, kon het vermogen van de stichting worden toegerekend aan appellante. Latere besluiten over de situatie na haar vertrek als bestuurder zijn niet relevant. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.