Eiser ontving van 2005 tot 2022 een bijstandsuitkering. Het college ontdekte dat eiser enig bestuurder was van een stichting in Suriname met onroerend goed en dat hij niet had gemeld dat hij over dit vermogen kon beschikken. Hierdoor werd het recht op bijstand herzien, ingetrokken en de betaalde bijstand teruggevorderd.
Eiser voerde aan dat hij sinds september 2021 niet langer bestuurder was en niet meer over het vermogen kon beschikken. De rechtbank oordeelde echter dat het vermogen van de stichting, mede door de feitelijke verstrengeling en de verstrekte volmachten, als vermogen van eiser moet worden beschouwd. Eiser leverde onvoldoende objectieve en controleerbare informatie over de waarde en financiering van het vermogen.
De rechtbank stelde vast dat eiser zijn inlichtingenverplichting had geschonden en dat het college daarom terecht de bijstand had herzien, ingetrokken en teruggevorderd. Ook de afwijzing van latere aanvragen om bijstand werd bevestigd omdat eiser niet aannemelijk maakte dat zijn situatie was gewijzigd. De rechtbank vernietigde een deel van het bestreden besluit wegens procedurele fouten, maar verklaarde de beroepen grotendeels ongegrond.