ECLI:NL:CRVB:2022:767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over beëindiging Ziektewetuitkering ondanks betwiste beperkingen
Appellante, voormalig verpleegkundige, meldde zich op 8 augustus 2016 ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling besloot het UWV in 2017 de uitkering te beëindigen omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in andere functies. Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar beperkingen groter waren dan erkend.
In 2018 meldde zij zich opnieuw ziek met toegenomen klachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek dat haar belastbaarheid gelijk was gebleven en beëindigde opnieuw haar ZW-uitkering per 19 december 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een toename van haar beperkingen op de datum in geding. De verzekeringsartsen werden gevolgd in hun oordeel dat er geen aanwijzingen waren voor cognitieve stoornissen of concentratieproblemen. Ook de ingebrachte medische stukken na de datum in geding werden niet relevant geacht.
De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de beslissing van het UWV en de rechtbank dat appellante geen recht heeft op Ziektewetuitkering per 19 december 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 19 december 2018 wordt bevestigd.