ECLI:NL:CRVB:2020:3182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, laatst werkzaam als verpleegkundige, ontving een Ziektewetuitkering vanwege ziekte en pijnklachten. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarop de uitkering werd beëindigd. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met haar fysieke en psychische beperkingen en dat de verzekeringsarts onvoldoende informatie had ingewonnen bij de behandelend sector. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts zijn eigen oordeel mag baseren op de beschikbare gegevens en dat nader onderzoek alleen nodig is als er een beredeneerd afwijkend standpunt van de behandelend sector bestaat, wat hier niet het geval was.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderbouwde in een rapport van 10 september 2020 overtuigend dat de belastbaarheid van appellante niet hoefde te worden aangepast. Het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen werd afgewezen. De Raad bevestigde daarmee het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering per 8 september 2017 en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante meer dan 65% van haar loon kan verdienen.