ECLI:NL:CRVB:2022:799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gescheiden leven voor AOW-pensioen
Appellant ontvangt sinds 14 mei 2019 een AOW-pensioen voor gehuwden. Hij gaf aan sinds 20 augustus 2020 niet meer samen te wonen met zijn echtgenote en verwacht niet samen te zullen wonen. Ondanks dit contact en gezamenlijk eigendom van een appartement, en het betalen van €700 per maand aan zijn echtgenote, oordeelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond vanwege financiële verstrengeling en verzorgingsaspecten, waardoor geen leven als ongehuwd wordt geleid. In hoger beroep voerde appellant aan dat de gezamenlijke woning en financiële regeling een tijdelijke tussenoplossing zijn vanwege praktische en emotionele redenen.
De Raad legt het begrip duurzaam gescheiden leven uit aan de hand van drie voorwaarden: de wil tot verbreking van de huwelijkse samenleving door ten minste één partij, het leiden van een afzonderlijk leven alsof ongehuwd, en de intentie dat deze situatie blijvend is. De Raad concludeert dat appellant niet aan deze voorwaarden voldoet en bevestigt het oordeel van de rechtbank.
Het beroep op een eerdere uitspraak van de Raad wordt verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar is. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het pensioen blijft een gehuwdenpensioen.