Uitspraak
20.3509 ZW
6 oktober 2020, 20/467 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat appellant volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, ondanks beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen het besluit, stellende dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen en dat er geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde echter dat verder lichamelijk onderzoek geen toegevoegde waarde had en dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onderbouwd met aanvullende medische rapporten over psychische klachten zoals PTSS en depressie. De Raad oordeelde dat deze rapporten geen nieuwe feiten bevatten die tot een andere beoordeling leiden. De medische beoordeling was voldoende gemotiveerd en er was geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.