Betrokkene ontving sinds 1998 een gehuwdenpensioen op grond van de AOW, dat in 2005 werd omgezet naar een ongehuwdenpensioen nadat hij de echtelijke woning had verlaten. In 2018 onderzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) of betrokkene terecht een ongehuwdenpensioen ontving, vanwege vermeend duurzaam gescheiden leven. De Svb besloot in 2019 het pensioen om te zetten naar een gehuwdenpensioen omdat duurzaam gescheiden leven niet werd aangenomen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat er sinds 2005 sprake was van een gewilde en blijvende verbreking van de huwelijkse samenleving. De rechtbank vond onvoldoende bewijs van financiële verstrengeling en onderling contact dat duurzaam gescheiden leven zou uitsluiten.
De Raad oordeelt echter anders en stelt dat ondanks het feit dat betrokkene en zijn echtgenote sinds 2005 apart wonen en weinig contact hebben, de financiële verstrengeling te groot is. Zij zijn samen eigenaar van de woning, de echtgenote betaalt geen vergoeding voor bewoning, betrokkene betaalt de helft van het werkgeverspensioen aan haar, en er is gezamenlijke belastingaangifte en een testament met langstlevendenclausule. Dit alles wijst op geen duurzaam gescheiden leven.
Daarnaast vindt de Raad dat de Svb onzorgvuldig handelde door het pensioen per direct te herzien zonder betrokkene een redelijke overgangstermijn te bieden, wat strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad acht een overgangstermijn van drie maanden redelijk. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en herroept het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum van de herziening betreft, en stelt de ingangsdatum op 1 april 2019.