ECLI:NL:CRVB:2022:829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid van 39,85% door UWV onder de Wet WIA
Appellante was financieel administratief medewerkster en meldde zich ziek per 5 december 2016. Het UWV kende haar aanvankelijk een WIA-uitkering toe wegens 37,29% arbeidsongeschiktheid, later bij bezwaar vastgesteld op 39,85% met ingang van 3 december 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig en gemotiveerd werden beoordeeld.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen werden onderschat, dat onvoldoende rekening was gehouden met medische informatie en dat de richtlijn Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC) niet adequaat was toegepast. Tevens voerde zij aan dat zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar zou zijn en dat de functies in het CBBS mogelijk niet meer bestonden vanwege faillissementen. De Raad oordeelde dat deze gronden niet tot een ander oordeel leiden, omdat de medische stukken dit niet onderbouwen en de stelling over faillissementen te hypothetisch is.
De Raad bevestigde dat het UWV voldoende gemotiveerd heeft dat de functies medisch geschikt zijn en dat appellante voldoende gelegenheid heeft gehad om de arbeidskundige grondslag aan te vechten. Er is geen sprake van schending van het fair trial-beginsel of het equality of arms-vereiste. De redelijke termijn voor de procedure is niet overschreden. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit tot vaststelling van 39,85% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.