ECLI:NL:CRVB:2022:830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling arbeidsongeschiktheid en resterende verdiencapaciteit WIA
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, is na een verkeersongeval arbeidsongeschikt geraakt en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde aanvankelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waarna bezwaar werd gemaakt en een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld. Dit leidde tot een herziening van de arbeidsongeschiktheid naar 37,72%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij zich beperkte tot de arbeidskundige beoordeling. Appellant betwistte dat de geselecteerde functies passen binnen de beperkingen van de FML, met name op het punt van het handelingstempo. In hoger beroep herhaalde appellant deze stelling en verzocht om een schouw ter plaatse.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 37,86%. De Raad volgt het UWV in de uitleg dat het hoge handelingstempo alleen geldt voor complexere taken en dat eenvoudige taken door appellant wel kunnen worden uitgevoerd. Het verzoek om een schouw wordt afgewezen. Tevens wordt de urenomvang van een functie correct vastgesteld volgens beleidsregels. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de mate van arbeidsongeschiktheid en resterende verdiencapaciteit aangepast. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 37,86% en de resterende verdiencapaciteit op €1.326,92, het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.