ECLI:NL:CRVB:2022:857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel van recht op ziekengeld met terugwerkende kracht na onzorgvuldige UWV-besluitvorming
Appellant was werkzaam als chauffeur en bezorger toen hij zich in juli 2017 ziek meldde met rugklachten. Na beëindiging van het dienstverband en een eerstejaars Ziektewet-beoordeling werd zijn ziekengeld per 28 augustus 2018 stopgezet omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. In april 2019 hervatte appellant werkzaamheden als datamedewerker, maar meldde zich in december 2019 opnieuw ziek. Op 12 maart 2020 verklaarde een UWV-arts hem geschikt voor zijn functie als datamedewerker, waarna het UWV het recht op ziekengeld per die datum beëindigde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant in staat werd geacht zijn werkzaamheden te verrichten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte de maatgevende arbeid verkeerd had vastgesteld en dat hij vanwege een zitbeperking niet geschikt was voor het werk als datamedewerker. Tevens stelde hij dat het besluit met terugwerkende kracht was genomen zonder dat hij dit redelijkerwijs kon begrijpen.
De Raad oordeelde dat het UWV het recht op ziekengeld niet met de vereiste zorgvuldigheid had beëindigd, omdat de hersteldmelding met terugwerkende kracht per 12 maart 2020 plaatsvond terwijl dit pas per 13 maart 2020 had kunnen gelden. De medische beoordeling was voldoende zorgvuldig en appellant had voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt te onderbouwen. De Raad vernietigde het besluit, stelde vast dat appellant recht heeft op ziekengeld tot 13 maart 2020, en veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant wordt hersteld met ingang van 13 maart 2020, met vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.