ECLI:NL:CRVB:2022:871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending inlichtingenverplichting door meer gewerkte uren
Appellanten ontvingen bijstand sinds 2011, waarbij appellant vanaf november 2016 een werkervaringsplaats had bij een garagebedrijf en vanaf februari 2017 salaris ontving. Het college stelde vast dat appellant meer uren werkte dan de opgegeven tien uur per week. Na een onderzoek met waarnemingen en verklaringen concludeerde het college dat appellanten de inlichtingenverplichting schonden en trok de bijstand in met terugvordering van €11.492,01.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de aanwezigheid buiten de opgegeven uren niet als arbeid moest worden gezien, dat tien uur per week het maximum was, en dat er geen verwijt was omdat geen boete was opgelegd. Ook verzochten zij om een arbeidskundige beoordeling, wat de Raad niet nodig achtte.
De Raad oordeelde dat aanwezigheid tijdens reguliere uren op de werkplek de veronderstelling van arbeid rechtvaardigt, welke appellanten niet konden weerleggen. Getuigenverklaringen ondersteunden dit niet. Het verrichten van op geld waardeerbare arbeid is relevant voor het recht op bijstand, ongeacht daadwerkelijke inkomsten. De Raad zag geen noodzaak voor een arbeidskundige beoordeling en concludeerde dat de inlichtingenverplichting was geschonden.
Verder stelde de Raad dat dringende redenen om van terugvordering af te zien niet aannemelijk waren gemaakt. De intrekking en terugvordering van de bijstand werden daarom bevestigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.