ECLI:NL:CRVB:2022:894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 3 november 2016
Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met rugklachten. Na een eerste rugoperatie en een medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV zijn beperkingen onderschatte en dat hij recht had op een WIA-uitkering vanaf 3 november 2016. Hij overhandigde nieuwe medische stukken en verzocht om een onafhankelijke medisch deskundige. Het UWV handhaafde haar standpunt met recente rapporten van verzekeringsartsen.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV juist en zorgvuldig was, dat de nieuwe medische informatie geen betrekking had op de situatie per 3 november 2016 en dat de vastgestelde arbeidsongeschiktheid correct was. De verwijzing naar een Poolse arbeidsongeschiktheidsuitkering was niet relevant voor de Nederlandse beoordeling. Er was geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 3 november 2016 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.