ECLI:NL:CRVB:2022:922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
20/217 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.8 Wmo 2015Art. 6:2 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing nabetaling pgb en bijzondere bijstand onder Wmo 2015 en PW

Appellante ontving maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, waaronder een persoonsgebonden budget (pgb) en vervoersbudget, die in 2016 werden ingetrokken vanwege weigering tot herindicatie. Na heraanmelding in 2018 verstrekte het college opnieuw voorzieningen, waartegen geen bezwaar werd gemaakt.

Appellante stelde dat het college ten onrechte betalingen had nagelaten voor vervoer en zorg vanaf het tweede kwartaal 2015 tot het eerste kwartaal 2018, alsmede bijzondere bijstand voor diverse zorgkosten in 2019. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen ongegrond.

In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante geen recht had op de voorzieningen in de periode 2016-2018 en dat het college de gelden tot 2016 correct heeft betaald. Voor bijzondere bijstand is vastgesteld dat ambtshalve betalingen zijn gedaan tot januari 2020, zodat voor de meeste kosten geen procesbelang bestaat. Voor vervangende medicatie is geen bijzondere bijstand toegekend, maar het college is niet in gebreke.

Het hoger beroep wordt bevestigd voor de Wmo 2015 en bijzondere bijstand voor medicatie en niet-ontvankelijk verklaard voor overige bijzondere bijstand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de nabetaling en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor bijzondere bijstand wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

20.217 WMO15

Datum uitspraak: 19 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2019, 19/5059 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Schagen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J.J. van der Heiden, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 september 2021 heeft mr. J.F.R. Eisenberger (advocaat) zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Appellante heeft vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend.
Bij brief van 23 november 2021 heeft mr. Eisenberger zich als gemachtigde van appellante aan de zaak onttrokken.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 21/128 PW en 21/1594 PW plaatsgehad op 22 februari 2022. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W.J. Poulie-van Bommel. In de zaken 21/128 PW en 21/1594 PW is vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), een vervoersbudget en begeleiding in de vorm van een pgb. Bij besluit van 11 mei 2016 heeft het college deze maatwerkvoorzieningen met ingang van 1 mei 2016 ingetrokken op grond van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), omdat appellante weigerde mee te werken aan het herindiceren van de aan haar toegekende voorzieningen. Bij besluit van 23 november 2017 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.
1.2.
Appellante heeft zich op 20 februari 2018 weer gemeld voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, waarna het college een onderzoek naar de noodzaak van deze voorzieningen heeft gedaan. Hierop heeft het college bij afzonderlijke besluiten van 26 maart 2018 aan appellante verstrekt de maatwerkvoorziening organiseren van het huishouden, in de vorm van zorg in natura, voor vier uur per week van 23 maart 2018 tot 22 maart 2021 en een vervoersbudget voor maximaal 2000 km per jaar van 1 februari 2018 tot 31 januari 2023. Tegen deze besluiten heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 28 oktober 2019 heeft appellante bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het door het college niet tijdig beslissen op verzoeken van appellante aan het college. Appellante heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte een aantal betalingen niet heeft gedaan. Het gaat volgens appellante om betalingen die voortkomen uit recht op grond van de Wmo 2015 voor vervoer en voor zorg in de vorm van begeleidende hulp in huis vanaf het tweede kwartaal van 2015 tot en met het eerste kwartaal van 2018. Daarnaast gaat het om betaling van bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor in 2019 gedeclareerde, nader gespecificeerde reiskosten van en naar de cranio-sacrale therapeut, kosten van vervangende medicatie, kosten van de pedicure en reiskosten van en naar de pedicure.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Nabetaling pgb/vervoersbudget op grond van de Wmo 2015
4.1.
Uit 1.1 en 1.2 volgt dat appellante geen recht had op de maatwerkvoorzieningen vervoer over de periode van 1 mei 2016 tot 1 februari 2018 en organiseren van huishouden over de periode van 1 mei 2016 tot 23 maart 2018. Het college was dan ook niet gehouden tot nabetaling van pgb/budget over deze perioden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante geen aanvraag heeft ingediend voor deze maatwerkvoorzieningen over de hiervoor genoemde perioden, zodat er geen sprake kan zijn van niet tijdig beslissen op een aanvraag. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gelden waarop appellante tot 1 mei 2016 nog recht had daadwerkelijk in die periode aan haar heeft betaald. Het college was dus ook in die zin niet gehouden op de door appellante gedane verzoeken een betaling te doen. Gelet hierop slaagt het hoger beroep niet voor zover dat betrekking heeft op een verzoek tot nabetaling van vervoersbudget en van pgb terzake van organiseren van het huishouden over genoemde perioden
Nabetaling bijzondere bijstand op grond van de PW
4.2.
De Raad ziet zich allereest ambtshalve gesteld voor de vraag of appellante nog voldoende belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren daarvan voor die indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2098).
4.4.
Het college heeft bij brief van 2 februari 2020 aan appellante kenbaar gemaakt dat vanaf 2016 ambtshalve bijzondere bijstand is toegekend voor de door haar gedeclareerde kosten van cranio-sacrale therapie (cst), pedicure, ureumzalf en voor reiskosten naar de cst-therapeut en de pedicure. Deze kosten zijn vergoed tot en met de behandelingen op 10 januari 2020. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar specifiek genoemde kosten niet zijn betaald.
4.5.
Gelet op het voorgaande heeft appellante voor wat betreft de door haar opgevoerde kosten van pedicure, reiskosten pedicure en de reiskosten cst, ontvangen waar zij recht op heeft zodat zij in zoverre geen in rechte te respecteren procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit hoger beroep. Het hoger beroep van appellante voor zover dat ziet op bijzondere bijstand voor deze kosten wordt dan ook wegens het ontbreken van procesbelang niet‑ontvankelijk verklaard.
4.6.
Niet is gebleken dat bijzondere bijstand is verleend voor kosten die appellante stelt te hebben gemaakt voor vervangende medicatie. Het college was daarom niet gehouden aan appellante deze kosten te betalen. Het college is terzake dan ook niet in gebreke.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover het gaat om een verzoek om nabetaling van pgb/vervoersbudget op grond van de Wmo 2015 en om nabetaling voor vervangende medicatie. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op betaling van bijzondere bijstand op grond van de PW voor kosten van pedicure en reiskosten cst en pedicure, is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover het de Wmo 2015 en de bijzondere bijstand voor vervangende medicatie betreft;
  • verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en E.C.R. Schut en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) T. Ali