Uitspraak
OVERWEGINGEN
.De mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd vastgesteld op 62,13%.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant is sinds 25 november 2011 arbeidsongeschikt en ontvangt een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 62,13% en dit besluit is door de rechtbank gedeeltelijk vernietigd. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Tijdens de procedure is gebleken dat appellant vanaf 23 januari 2015 wordt beschouwd als 80 tot 100% arbeidsongeschikt en dat hij vanaf 22 februari 2016 een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangt, eveneens gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad stelt ambtshalve de vraag of appellant nog procesbelang heeft bij het hoger beroep, aangezien hij met het aanvechten van de medische grondslag niet meer kan verkrijgen dan reeds toegekend.
De Raad oordeelt dat appellant geen voldoende procesbelang heeft omdat hij niet heeft betoogd volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en de bezwaren tegen de vastgestelde beperkingen geen feitelijke betekenis meer kunnen hebben. Ook de inkomenseis speelt geen rol omdat de WGA-loonaanvullingsuitkering gebaseerd is op dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.