Uitspraak
21.1159 AKW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb). Tijdens de zitting gaf de Svb aan het bestreden besluit van 2 september 2020 niet langer te handhaven en een nieuw besluit te zullen nemen. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan, dat het besluit intrekt en tegemoetkomt aan de indiener van het beroep, op verzoek kan worden veroordeeld in de proceskosten.
De Raad achtte het redelijk dat de Svb de proceskosten vergoedt die appellante heeft moeten maken voor de behandeling van het beroep en hoger beroep. De kosten werden begroot op in totaal €3.036,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan op 14 april 2022 door rechter M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier L. van Bentum.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot betaling van €3.036,- aan proceskosten aan appellante.