Appellante was sinds 2005 werkzaam bij de stichting en kreeg in 2018 een nieuwe leidinggevende, P. Na gesprekken over haar functioneren en een verstoorde arbeidsrelatie, werd zij in oktober 2019 ontslagen wegens een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Appellante maakte bezwaar tegen het ontslagbesluit en de hoogte van de toegekende financiële compensatie.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante wel degelijk een financieel belang had bij het hoger beroep. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde het geschil inhoudelijk.
De Raad stelde vast dat de vergoeding gebaseerd was op een overwegend aandeel van de stichting in de verstoring van de arbeidsrelatie, binnen de bandbreedte van 51 tot 65%. Appellante betoogde dat het aandeel hoger moest zijn, maar dit werd verworpen vanwege haar eigen grievende uitlatingen over P, die de relatie onnodig verslechterden.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de hoogte van de compensatie en veroordeelde de stichting tot betaling van proceskosten en terugbetaling van het griffierecht aan appellante.