ECLI:NL:CRVB:2023:1018
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld vermogen
Appellante ontving sinds december 2019 bijstand en meldde niet een bankrekening met een saldo boven de vrij te laten vermogensgrens. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. Appellante betwistte de berekening van het vermogen en de brutering van de terugvordering.
De Raad oordeelt dat positieve vermogensbestanddelen alleen gesaldeerd mogen worden met schulden die bij aanvang van de bijstand bestonden en een concrete terugbetalingsverplichting inhielden. De schuld aan de Belastingdienst ontstond pas na aanvang van de bijstand en kan daarom niet in mindering worden gebracht.
De interingsnorm is niet van toepassing bij intrekking en terugvordering, maar alleen bij de beoordeling van het besef van verantwoordelijkheid bij aanvang van de bijstand. Ook het beroep op het niet betalen van de vordering in 2020 faalt, omdat de vordering door toedoen van appellante is ontstaan.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.