Uitspraak
21 3171 WW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte van mei tot december 2017 en ontving daarna een WW-uitkering van drie maanden. Na ziekmelding en een periode van Ziektewet-uitkering vroeg appellant opnieuw WW aan. Het UWV weigerde deze omdat appellant in de 36 weken voorafgaand aan zijn werkloosheid niet ten minste 26 weken had gewerkt, mede doordat de periode van Ziektewet-uitkering niet meetelt.
De rechtbank bevestigde dit en verlengde de referteperiode naar vóór de Ziektewet-uitkering, maar appellant had toen al zijn gewerkte weken benut voor een eerdere WW-uitkering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel aan de eis voldeed en dat persoonlijke omstandigheden niet werden meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor persoonlijke omstandigheden in deze context en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De weigering van de WW-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis.