ECLI:NL:CRVB:2023:1086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Appellante, geboren in 1972, heeft zich in november 2019 gemeld bij het Centraal Onthaal van de gemeente Rotterdam voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit verzoek af omdat appellante zich op eigen kracht of met hulp van haar netwerk kan handhaven in de samenleving.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat zij vanaf december 2020 alsnog toegang tot opvang heeft gekregen. De rechtbank oordeelde dat appellante niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoort, omdat zij zelfstandig haar terugkeer naar Nederland had georganiseerd, onderdak had geregeld en een bijstandsuitkering kon aanvragen. Het ontbreken van zelfstandige woonruimte of toegang tot gezondheidszorg ten tijde van de aanvraag was onvoldoende om haar tot de doelgroep te rekenen.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij zich zelfstandig kon handhaven. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat het college terecht het verzoek had afgewezen. Ook het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om opvang afgewezen omdat appellante zich zelfstandig kan handhaven.