Uitspraak
drs. I.M. Veringmeier.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een WAO-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht, waarbij het UWV de ingangsdatum heeft vastgesteld op 30 mei 2018, één jaar voor de aanvraag, en de uitkering per 18 oktober 2019 verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80%.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard, omdat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een bijzonder geval waardoor zij niet eerder een aanvraag kon indienen. Appellante voerde psychische problematiek aan die haar inzicht zou hebben belemmerd, maar kon dit niet met medische stukken staven.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad stelt dat appellante de bewijslast draagt voor het aannemen van een bijzonder geval en dat zij daarin niet is geslaagd. Ook is de verlaging van de uitkering gebaseerd op zorgvuldige medische en arbeidskundige rapporten die niet zijn weerlegd.
De Raad bevestigt daarom de ingangsdatum van 30 mei 2018 en de verlaging van de WAO-uitkering per 18 oktober 2019 naar 65-80% arbeidsongeschiktheid. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de ingangsdatum van 30 mei 2018 en de verlaging van de WAO-uitkering per 18 oktober 2019 naar 65-80%.