ECLI:NL:CRVB:2024:689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering bij 65-80% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als archiefmedewerker, ontvangt sinds 1998 een WAO-uitkering. Het UWV heeft haar arbeidsongeschiktheid per 19 april 2020 vastgesteld op 65 tot 80%. Appellante stelde dat haar medische beperkingen toenamen en dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook eerdere medische gegevens waren betrokken. De verzekeringsarts had telefonisch contact met appellante en vond een fysiek spreekuur niet noodzakelijk. De rechtbank vond de geselecteerde functies passend en voldoende gemotiveerd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder het gemis van een fysiek spreekuur en het ontbreken van informatie van de huisarts. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren toegenomen. Ook de arbeidskundige onderbouwing werd bevestigd.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% per 19 april 2020. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellante wordt ongewijzigd voortgezet met een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% per 19 april 2020.