Appellante, voormalig medewerkster, meldde zich op 18 januari 2018 ziek tijdens een WW-uitkering. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, wat onherroepelijk werd. Later meldde zij zich opnieuw ziek op 18 februari 2020 en vroeg een ZW-uitkering aan, die het UWV weigerde toe te kennen. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep nam het UWV op 24 februari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar en kende alsnog een ZW-uitkering toe met terugwerkende kracht. Appellante stelde dat zij procesbelang had bij een inhoudelijk oordeel omdat de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid doorwerkte in haar WIA-aanvraag.
De Raad oordeelde dat procesbelang ontbreekt omdat de gewijzigde beslissing ertoe leidde dat appellante de maximale ZW-uitkering ontving en een inhoudelijke beoordeling geen feitelijke betekenis meer heeft. Bovendien heeft het oordeel geen invloed op toekomstige WIA-beoordelingen, die gebaseerd zijn op actuele medische gegevens.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante in hoger beroep.