Uitspraak
22.2993 WIA
A.H.G. Boelen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant meldde zich in 2005 ziek met lichamelijke klachten en kreeg vanaf 2011 een WGA-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling in 2020 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 26 juli 2020. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij aanvullende beperkingen werden aangenomen, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef ongewijzigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de onzorgvuldigheid van het ontbreken van een fysiek spreekuurcontact had hersteld door in beroep alsnog een fysiek onderzoek te laten plaatsvinden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat dit onjuist was en dat het UWV uitging van verouderde gegevens en onvoldoende rekening hield met zijn ziekte van Crohn en medicijngebruik.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het fysieke spreekuurcontact in beroep de eerdere procedurele tekortkomingen herstelde en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Er was geen noodzaak om aanvullende informatie bij behandelaars op te vragen. De belastbaarheid van appellant was adequaat vastgesteld en de geselecteerde functies waren medisch geschikt. Het hoger beroep werd verworpen en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.