Appellant ontvangt sinds 1 oktober 2015 een ouderdomspensioen op grond van de AOW, aanvankelijk gebaseerd op de norm voor een ongehuwde. In oktober 2018 wijzigde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen met terugwerkende kracht naar de gehuwde norm en vorderde teveel betaalde bedragen terug. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd verworpen door de rechtbank en bevestigd door de Raad in 2021.
Op 11 juni 2019 verzocht appellant om aanpassing van zijn pensioen omdat hij niet meer samenwoonde met zijn ex-echtgenote. Hij gaf aan dat de wijziging per 10 april 2019 inging, ondersteund door een schriftelijke verklaring van beëindiging van de echtelijke relatie. De Svb wijzigde het pensioen met ingang van april 2019 en handhaafde dit besluit na bezwaar.
Appellant stelde in hoger beroep dat de wijziging al eerder, vanaf april of september 2018, had moeten plaatsvinden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij al eerder niet meer samenwoonde. Zijn eigen ingevulde formulieren en de verklaring stroken niet met zijn stelling. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.