De zaak betreft het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf tegen besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de toekenning van gebundelde uitkeringen voor de jaren 2017 tot en met 2020. Het college stelt dat de toegewezen budgetten niet aansluiten bij de werkelijke uitgaven vanwege tekortkomingen in de verdeelmodellen, met name door stapelingsproblematiek en verouderde data voor de grenscorrectiefactor.
De rechtbank had eerder de beroepen tegen de besluiten voor 2015 en 2016 gegrond verklaard, maar niet voor de jaren 2017-2020. In hoger beroep stelt het college dat ook voor deze jaren sprake is van onevenredige benadeling. De Raad onderzoekt de bewijslastverdeling en bevestigt dat het college aannemelijk moet maken dat het model tekortschiet en dat de tekorten niet aan het beleid liggen.
De Raad oordeelt dat het verdeelmodel 2017 tekortkomingen bevat door onvoldoende rekening te houden met de stapelingsproblematiek en dat de factor ‘regionaal klantenpotentieel’ ontoereikend is voor Landgraaf. Ook voor de jaren 2018-2020 zijn tekortkomingen vastgesteld, mede door het gebruik van verouderde grenspendeldata die de beschikbaarheid van werk voor Landgraaf onjuist weergeven. Deze tekortkomingen leiden tot onevenredige nadelige gevolgen voor Landgraaf die niet aan het gemeentebeleid zijn toe te rekenen.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten 4 tot en met 7 en beveelt de minister nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van het college.