ECLI:NL:CRVB:2023:1285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaamheid arbeidsongeschiktheid voor IVA-uitkering na chemobehandeling
Betrokkene was secretaresse en meldde zich op 19 juni 2017 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar op 13 juni 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toe wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Appellante stelde dat betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid nog mogelijk was en dat betrokkene daarom niet duurzaam arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat cognitieve beperkingen door chemobehandelingen onvoldoende waren meegewogen. Diverse medische rapporten, waaronder een neuropsychologisch onderzoek en een rapport van een medisch adviseur, stelden dat betrokkene blijvende cognitieve beperkingen had. De verzekeringsarts bezwaar en beroep betoogde echter dat deze beperkingen niet medisch objectief waren vastgesteld op de datum in geding en dat verbetering mogelijk was.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts een vertaalslag mag maken van klachten naar functionele beperkingen en dat de cognitieve beperkingen wel waren onderkend maar niet zodanig waren dat duurzaamheid kon worden aangenomen. De Raad vond de motivatie van de verzekeringsarts overtuigend en bevestigde het oordeel dat op de datum in geding geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene op 17 juni 2019 niet duurzaam arbeidsongeschikt was en geen recht had op een IVA-uitkering.