Appellant diende op 3 juli 2020 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij meldde giften van kennissen te ontvangen voor levensonderhoud. Het college wees de aanvraag af omdat appellant voldoende middelen had via bijschrijvingen van mevrouw X, die samen de bijstandsnorm overschreden. Appellant stelde dat deze bedragen leningen waren, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Na bezwaar handhaafde het college het besluit, waarop appellant beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde het college zich coulancehalve op het standpunt dat appellant vanaf 1 augustus 2020 recht heeft op bijstand. De Raad vernietigt daarom het besluit en uitspraak voor die periode, maar bevestigt de afwijzing voor juli 2020.
De Raad overweegt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijschrijvingen leningen voor levensonderhoud betroffen, omdat er geen bewijs is van een vooraf gemaakte terugbetalingsafspraak en de verklaring van mevrouw X dit niet ondersteunt. Daarnaast heeft appellant in eerdere verklaringen de bedragen als giften opgegeven. De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.