ECLI:NL:CRVB:2023:1343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering verlenging re-integratietraject
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college legde hen een maatregel op in de vorm van een 100% verlaging van de bijstand gedurende één maand, verspreid over drie maanden, omdat appellant de verlenging van een re-integratietraject weigerde te ondertekenen. Dit traject was gericht op het verbeteren van werknemersvaardigheden en arbeidsinschakeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de maatregel. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het traject niet passend was, het college geen maatwerk had geleverd, het evenredigheidsbeginsel was geschonden, er sprake was van dringende redenen en vooringenomenheid van het college. De Raad oordeelde dat het college wel degelijk maatwerk had geleverd door het verlengingsvoorstel en dat het traject passend was gezien het doel en het ontbreken van alternatieven.
Verder stelde de Raad vast dat het college terecht de maatregel oplegde op grond van artikel 18 van Pro de Participatiewet, waarbij geen ruimte is voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel buiten de uitzonderingen. Dringende redenen om de maatregel te matigen ontbraken, ondanks de kwetsbare gezinssituatie van appellant. Ook was er geen sprake van vooringenomenheid. De motivering van het besluit was voldoende. Het hoger beroep werd afgewezen en de verlaging van de bijstand bleef in stand.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand blijft in stand omdat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van het aangeboden re-integratietraject.