Appellant, met een verslavingsachtergrond, verbleef vanaf 9 maart 2021 bij een instelling voor beschermd wonen na een opname in een Portugese afkickkliniek. Het college van burgemeester en wethouders van Almere wees aanvankelijk de aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen af, mede op basis van een negatief advies van de GGD Flevoland. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond, maar stelde de ingangsdatum van de voorziening op 16 april 2021, conform de wettelijke termijn voor besluitvorming.
De rechtbank Midden-Nederland vernietigde dit besluit en stelde de ingangsdatum vast op 12 april 2021, de datum van de aanvraag. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat de maatwerkvoorziening vanaf het begin van zijn verblijf, 9 maart 2021, had moeten ingaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Wmo 2015 en de lokale verordening geen regels bevatten over de ingangsdatum, en dat het college ten onrechte de ingangsdatum later stelde vanwege financieringszorgen. De Raad vond dat de voorziening vanaf 9 maart 2021 had moeten worden toegekend, omdat het college de passendheid van de zorg niet betwistte en appellant niet in staat was eerder een melding te doen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de ingangsdatum op 12 april 2021 stelde en bepaalde zelf de ingangsdatum op 9 maart 2021. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.