ECLI:NL:CRVB:2023:1427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek door UWV
Appellant was werkzaam als medewerker schoonmaak en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat hij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde het besluit na een aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, ook al was appellant niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep fysiek onderzocht. De verzekeringsarts had alle relevante medische informatie betrokken en gemotiveerd waarom een aanvullend spreekuur niet nodig was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat het beginsel van equality of arms was geschonden, maar deze gronden werden door de Centrale Raad van Beroep verworpen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewet-uitkering had beëindigd omdat appellant in staat was meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Er was geen aanleiding voor de benoeming van een onafhankelijke deskundige en het medisch onderzoek was zorgvuldig en volledig gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.