ECLI:NL:CRVB:2023:1428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering teveel betaalde WIA-uitkering ondanks beroep op rechtszekerheidsbeginsel
Appellant was sinds 2013 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2015 een WIA-uitkering. In de periode van 1 september 2018 tot en met 29 september 2019 ontving hij echter een te hoge uitkering. Het UWV stelde dit vast en vorderde het teveel betaalde bedrag van ruim €15.000 terug. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het hem niet duidelijk was dat hij te veel ontving en beriep zich op het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de significante stijging van het inkomen hem redelijkerwijs had moeten opvallen. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij erop mocht vertrouwen dat de uitkering correct was vastgesteld en dat hij pas laat met de terugvordering werd geconfronteerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het bedrag terugvordert op grond van de Wet WIA en de beleidsregels. Het was appellant redelijkerwijs duidelijk dat hij te veel ontving gezien de stijging van zijn inkomen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien, zoals onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, zijn niet aannemelijk gemaakt. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €15.139,80 teveel betaalde WIA-uitkering en wijst het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel af.