ECLI:NL:CRVB:2023:1431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante was tot september 2017 werkzaam als verkoopster en meldde zich daarna ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, ook al vond het psychiatrisch onderzoek plaats in hetzelfde ziekenhuis waar haar zoon was overleden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rouwproblematiek onvoldoende was betrokken en dat het onderzoek onzorgvuldig was vanwege de locatie. Ook stelde zij dat de diagnose van haar huisarts een ernstigere depressie aangaf dan de verzekeringsarts had vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze argumenten onvoldoende aanleiding gaven om het oordeel van het UWV en de rechtbank te wijzigen.
De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts terecht uitging van een andere diagnose dan de huisarts, en dat het medisch objectief vastgestelde beperkingenpatroon leidend is voor de beoordeling. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van functies deugdelijk gemotiveerd en er was geen reden om het UWV niet te volgen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.