Uitspraak
9 maart 2021, 19/6087 en 20/7003 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking had en dat het UWV ten onrechte zonder wettelijke grondslag tot terugvordering was overgegaan. De rechtbank had echter vastgesteld dat het UWV op basis van uitgebreid fraudeonderzoek aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband. Dit onderzoek omvatte onder meer gegevens van de Belastingdienst, het UWV en de Kamer van Koophandel, alsmede analyse van arbeidsovereenkomsten, loonstroken en urenregistraties.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende objectief bewijs had geleverd om het oordeel van het UWV te ontkrachten. Ook werd gewezen op de strafrechtelijke veroordeling van appellante wegens het opzettelijk gebruik van vervalste stukken, wat de aannemelijkheid van het gefingeerde dienstverband versterkte. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herzieningsbesluiten ongegrond en vernietigde slechts het besluit tot terugvordering over 2013 wegens procedurele gronden, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
In hoger beroep heeft appellante haar eerdere gronden slechts summier herhaald, wat niet voldeed aan de vereisten voor een gemotiveerde betwisting. De Centrale Raad van Beroep onderschreef daarom het oordeel van de rechtbank en bevestigde de herziening van de WAZO-uitkering en de terugvordering. De invordering was niet verjaard en het UWV had terecht gehandeld. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 2 augustus 2023 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de WAZO-uitkering door het UWV worden bevestigd.