ECLI:NL:CRVB:2023:1484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering nabestaandenuitkering na verhuizing en werk in België
Appellante ontvangt sinds 2012 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na haar verhuizing naar België en het aanvaarden van werk daar, ontving zij een primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering en later een invaliditeitsuitkering vanuit België. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de nabestaandenuitkering herzien en het teveel betaalde bedrag van €6.548,44 teruggevorderd over de periode mei 2020 tot en met maart 2021.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de Belgische invaliditeitsuitkering naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse WIA-uitkering en daarom volledig op de nabestaandenuitkering in mindering moet worden gebracht. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de invaliditeitsuitkering vergelijkbaar is met een Ziektewet-uitkering en dat er sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling, alsmede dat dringende redenen bestaan om af te zien van terugvordering.
De Raad oordeelt dat de invaliditeitsuitkering inderdaad overeenkomt met een WIA-uitkering en dat er geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is, omdat appellante onder Belgische wetgeving valt na haar verhuizing. Dringende redenen voor afzien van terugvordering zijn niet vastgesteld. De Svb zal bij invordering rekening houden met de financiële situatie van appellante. De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de nabestaandenuitkering terecht is herzien en het teveel betaalde bedrag van €6.548,44 terecht is teruggevorderd.