Appellanten ontvingen bijstand en werden beboet omdat zij niet hadden gemeld dat hun zoon sinds september 2017 was gestopt met studeren, wat gevolgen had voor hun recht op bijstand. Het college legde een boete van €1.520,- op, die door de rechtbank werd verlaagd naar €801,32 vanwege gewijzigde regelgeving omtrent de beslagvrije voet.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij niet verwijtbaar hadden gehandeld en onvoldoende draagkracht hadden. De Raad oordeelde dat appellanten de inlichtingenverplichting wel degelijk hadden geschonden en dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Het beroep op draagkracht faalde omdat de boete reeds was voldaan en de rechtbank de draagkracht correct had vastgesteld.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden en verlaagde daarom de boete met 5%, tot €761,25. Het incidenteel hoger beroep van het college tegen de proceskostenveroordeling en griffierecht werd verworpen, omdat het college geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering op de proceskostenveroordeling rechtvaardigen.
De Raad veroordeelde het college tot betaling van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep en bevestigde verder de aangevallen uitspraak, behalve voor het boetebedrag dat werd aangepast.